dinsdag 11 juli 2017

Klacht

Beste KPN,

De monteur heb ik niet veel meer horen zeggen dan dat de kelder te laag was voor zijn lengte. Elke keer als hij het trappetje naar onze kelder af moest, of op, herinnerde hij ons eraan dat de trap toch echt te laag was voor zijn lengte, alsof wij het hem makkelijker konden maken door de kelder af te graven of op zijn minst de trap naar de eerste verdieping tijdelijk weg konden halen voor hem zodat hij dat zinnetje, dat mij behoorlijk op de zenuwen werkte, achterwege had kunnen laten. Dat uw monteur vervolgens niet in staat bleek een kabeltje te trekken en vier gaten in onze muur boorde voordat hij erachter kwam dat zijn boor te kort was voor de dikte van de muur, iets dat mijn vriendin opmerkte en hij zelf niet had gezien, en hij schoorvoetend (en ook hier weer wat klagend over zijn lot) op zoek ging naar een nieuwe langere boor, maakte het er allemaal niet beter op. Na twee en een half uur kwam hij tot de conclusie dat hij het internet en de televisieverbindingen niet aan de praat ging krijgen. Het was een vrijdag. Een mooie dag, tot dat moment.

Op 22 mei 2017 had ik telefonisch contact met u aangaande mijn verhuizing per 1 juli 2017. Ruimschoots op tijd om alles op orde te brengen. De tijd was afgesproken en zou precies in mijn agenda passen. 30 juni 2017 tussen 14:00 en 16:00. Mooier kon niet, dacht ik. We zouden een overlap hebben van een dag oude provider en een dag nieuwe provider. Zodoende zouden we niet zonder internet komen te zitten. Ik had mijzelf op de borst geklopt, want wat had ik het tijdig geregeld.

Op vrijdagmiddag 30 juni 2017 om 16:15 was er een gefrustreerde en redelijk onvriendelijke monteur nog steeds bezig. Voordat hij het slechte nieuws kwam brengen moest hij nog een opmerking over de lage kelder en bijbehorende trap maken en schoot door mijn hoofd hoe ik de door hem geboorde gaten die verder geen doel hadden naast het feit dat het willekeurige gaten in de muur waren moest gaan dichten om het esthetische gehalte van onze muur weer op peil te krijgen. Wij zouden tot en met de dinsdag daarop (vier lange dagen) geen internet hebben, want, zo vertelde hij er was iets met de grondkabel. Die was oud en van lood en vet, want zijn handen waren vet geworden en ook dat was een reden om te mopperen. Hoe dan ook, de grondkabel daar zat hem het probleem. Hij kon er helemaal niets aan doen en wij mochten hem vooral niet de schuld geven. Ik kon me voorstellen dat hij verongelijkt zou reageren als wij dat wel deden en dat geschiedde dus ook.
De grondmedewerkers werden gebeld en die konden pas dinsdag komen, overigens nadat de monteur mij had gemeld dat er de volgende dag (zaterdag 1 juli 2017) een andere monteur zou komen die in de grond zou kijken naar het probleem. Ik vloeken. Dat was niet de bedoeling.
'Kunnen ze niet eerder komen?', vroeg ik.
'Nee, maar dat is niet mijn schuld', zei hij.
Ik boos, iedereen boos en de monteur verongelijkt dat hij zulke lastige klanten had moeten helpen die bovendien een te lage kelder en een te dikke muur hadden voor zijn boor.

Telefonisch diende ik een klacht in. Het zou bekend moeten zijn dat hier in de wijk, oude, loodkopere en vooral vette kabels liggen die onberekenbaar zijn geworden door de tand des tijd. Ik lulde als brugman en al wat ik kreeg was een melding dat mijn klacht in behandeling zou worden genomen en dat er contact met mij opgenomen zou worden door de betreffende afdeling binnen KPN. Tot heden heb ik niets van u vernomen en mijn klacht is voor zover ik inmiddels heb begrepen niet als klacht erkend. In de daaropvolgende dagen heb ik op mijn 4G netwerk eea proberen uit te zoeken over het niet werkende wifi. Ik studeerde via mijn 4G netwerk en mopperde over de slechte service. Ik ben van mening dat indien er een probleem ontstaat tijdens het installeren van een nieuwe modem er een achtervang is -een soort piketdienst, van grondwerkers en/of adequate monteurs die op oproepbasis ook in het weekend werken. Al dan niet tegen een verhoogd tarief. Klanten namelijk vier dagen zonder internet laten zitten terwijl er tijdig een afspraak is gemaakt is allesbehalve klantvriendelijk en bovendien getuigd het niet van enige betrokkenheid, dit temeer daar er geen contact naar aanleiding van mijn klacht is geweest, naast de registratie van deze klacht.

Enfin er zat niets anders op dan wachten tot dinsdag. Er kwam een andere monteur. Deze deed testen. Op de aansluiting. Op de oude grondkabel. Op de aansluiting bij een kastje in een centrale ergens. Hij kon niets vinden. Toch kreeg hij alles aan de praat. Hij stelde, dat de monteur van 30 juni 2017, fout op fout had gestapeld en helemaal niets goed had gedaan in zijn aansluiting op ons internet. Misschien kwam het wel door de lage kelder.
Hoewel mijn klacht initieel ging over de duur van de afhandeling van de aansluiting, wil ik eveneens mijn beklag doen over de monteur. Ik ben er niet op uit om hem zijn ontslag aan te praten noch wil ik hem fysiek pijn doen, maar ik wil wel een excuses van hem. Ik wil dat hij zegt dat het hem spijt dat hij zijn werk niet goed heeft gedaan. Ik wil dat hij zijn woorden over onze kelder terugneemt. Dat hij de gaten in onze muur ongedaan maakt. Ik wil dat mijn initiële klacht behandeld wordt en adequaat (dat wil zeggen met een berichtgeving) afgehandeld wordt. Ik wil een uitleg over de ontstane strubbeling aangaande mijn aansluiting.

Immers, een klacht is een klacht op het moment dat hij gedaan wordt en geregistreerd. Omdat ik telefonisch niet het gewenste effect heb gekregen, stuur ik u daarom in het openbaar deze brief. Dan staat het zwart op wit, weet ik dat ik een klacht heb ingediend en kunnen andere zien dat ik dit heb gedaan. Wellicht wordt deze dan wel in behandeling genomen en krijg ik spoedig een bericht. Fijn trouwens dat ik deze brief gewoon via het internet kan versturen, want dat werkt inmiddels prima.

In afwachting van uw antwoord verblijf ik,

Met vriendelijke groet,


Bas Geeraets

donderdag 18 mei 2017

Zondag




Tal van tierlantijntjes die als belletjes
ronddobberend in een grote tuin
de dauwdruppels van zich af schudden
op een zeer licht briesje

de dag heeft niets om het lijf
zij ligt naakt zonder bedoeling
erotiserend te zijn. Zij wil
er voor iedereen zijn. Nietsverhullend

stil. Schoon zonder iets op het blazoen
aanschouw ik haar als ze traag
in beweging komt en zich zo verplaatst
dat ik niet anders dan mee kan doen

donderdag 11 mei 2017

ontkiemen



In de grond zit een zaadje
Ik heb het daar zelf gestopt
Met mijn vinger maakte ik een gaatje
Nu kijk ik elke dag of er iets komt
Soms denk ik te weten wat het wordt
maar het was gewoon een zaadje
dat ik had

Zo praat ik tegen jou 
Over de tuin
En wat ik denk 
Fluister ik in je oor
en op je buik 

woensdag 10 mei 2017

Oude Dichter

De sater -in zijn plooien reeds beton
rond tanden wijken wortels
het mos dempt zijn stem-
draagt een lach als donkere bossen

wanneer de plichtpleging
minder vaak struikelt
over oude bladeren
van een trillende scribent













Alles



ik beeld mij een bed in
zonder naden
met een man
met nul anekdoten
met alles in bereik
en niets meer te wensen
memorabilia teniet
gedaan bij een schaarste
aan dromen en onder
glad ijs waarop niemand
zal schaatsen of breuken
zal vallen. Nooit met bezoek
tenzij hij dat graag wil
maar er is niets te wensen
hij heeft alles al

vrijdag 5 mei 2017

Fanmail

Een fiets staat naast het rek, er zit een foldertje aan. Vanaf hier lijkt het op een Amerikaanse vlag. Het frame van de fiets is omzwachteld met een zilverkleurig duct tape. Het is het enige teken van rebellie in mijn blikveld. Af en toe fietsen er mensen langs. Zij keuren de fiets geen blik waardig. Er liggen geen gebroken flesjes op straat of stukjes ander klein afval dat je inmiddels als vanzelfsprekend acht in het straatbeeld. Blikjes Coca Cola vooral. Er is niets. Het asfalt is donker gekleurd door eerdere regen en op sommige plekken droogt dat asfalt op, met name op de plek waar het verkeer de weg raakt. Ik zit niet heel erg gemakkelijk, maar ik heb mij ten doel gesteld te blijven zitten totdat mijn rug echt gaat zeggen dat het genoeg is. Het is een rustige dag, de meeste mensen maken zich op voor het bevrijdingsfestival, als ze tenminste niet hoeven te werken. Deze plek behoort mij toe. Zo lang als ik hem inneem.

Ik zit hier om afstand te nemen van Ilja Leonard Pfeiffer. Dat moet. Dat moet omdat ik hem anders een brief zou schrijven waarin ik tekort zou schieten in mijn woorden en mij hoon ten deel zal vallen. Uiteraard zou de brief in een beschonken toestand geschreven worden omdat de bravoure zich dan het het meest meester van mij maakt. Aangezien ik geen adres zou hebben zou ik de brief posten op Facebook en zo dat iedereen het kan lezen. Aan voorzichtigheid zou ik niet doen. Vervolgens zal de nachtrust mij een overbruggingstijd verschaffen die dient als voedingsbodem voor de schaamte. De eerstvolgende klik op mijn computer gepaard met dat onbestemde gevoel in mijn maag. Gal en braaksel zullen zich al stagedivend willen profileren als aanwezigen op een groots concert dat voor een buitenstaander niet anders zou klinken dan de oprispingen van een gevoelige maag. In de brief, vol lyriek, zou ik een schets van mijzelf geven, maar niet kunnen verhullen dat ik enorm overbluft ben. Ik zou schrijven dat ik opgenomen ben in het labyrinth van Genua en dat ik gedurende mijn driftige lezen en markeren niet meer in het Nederland ben waar, op deze dag, de enige vorm van rebellie een fiets is die niet in het rek staat, maar als statement er net naast.

Het is begonnen bij La Superba, dat ik als een soort bijbel een maand lang bij me heb gedragen. Ik kocht een tweede editie van het boek omdat het eerste vol plakkertjes zit en ik een puntgave editie in mijn boekenkast wilde hebben. Ooit heb ik over de gele kaft van Magnus door Arjan Lubach gelezen dat geel opvalt en dus eerder verkoopt, maar de kaft van La Superba had acuut een enorme aantrekkingskracht op mij. Het beloofde mij duisternis, heroïek, tragiek en een heimelijke tocht door een stad die ik alleen ken van de topografie op mijn middelbare schooltijd -of misschien daarvoor nog. Ook werd ik beïnvloed door de positieve kritieken die ik als geur, vluchtig, aan mij voorbij liet trekken. De aanschaf ging gepaard met het jeugdig enthousiasme dat ik ervoer als ik bijna jarig ben of onverwacht een pakketje gehuld in vrolijk inpakpapier onder mijn neus geschoven krijg. Dat had ik wel vaker bij boeken, maar ditmaal was het een totaalervaring. De aanschaf was een belofte op iets majestueus die alreeds ingelost was. Het boek vibreerde in mijn handen en ik wist dat ik deelgenoot mocht zijn van een wereld die meerdere mensen al betrokken hadden. Een boek dat je steeds weer voor de eerste keer wil lezen. Kon dat maar. De hersenpan leeg schrapen met een lepeltje en de inhoud in een blauwglazen karaf bewaren in een mooie zware kast, zodat je opnieuw een eerste keer zou hebben. La Superba is een labyrinth geworden waar ik maar niet uit kan komen. Soms lukt het me trouwens wel. Dan heb ik ineens een biertje in de hand en houd ik van de stad Nijmegen, waar als de zon schijnt, de evenementen als paddenstoelen de lucht inschieten en men met de agenda in de hand de meest passende programmering noteert op de gezinskalender. Of wanneer ik kortstondig in de ban van een ander boek, een film of een kunstwerk. Het duurt echter nooit lang of ik wil weer wegkruipen in de romantiek van mijn eigen beeldvorming aangedreven door Ilja Leonard Pfeiffer. Gedurende het afgelopen jaar kroop de naam van de man die ik niet ken, maar poog te kennen, steeds meer in het dagelijks leven. Het bleek onmogelijk hem te ontvluchten. Waar ik eerst zijn La Superba las en Idyllen kocht, gevolgd door Brieven uit Genua -die ik soms voor een aantal weken weg moet leggen- en van mijn vriendin De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw van in 1000 en enige gedichten kreeg (jubelstemming en liefkozingen, strelen langs de kaft zelfs), voegde ik hem toe als vriend op Facebook en later op Instagram. Hij kwam op televisie en hoewel ik zelden nog naar traditionele televisie kijk wist ik de tijden Via Genua en betreurde ik slechts het geringe aantal afleveringen. Ik nam Brieven uit Genua weer ter hand, overwoog een brief te schijven na een fles wijn en zag ervan af. Ondertussen gaat er geen dag voorbij zonder dat ik de naam van de schrijver niet tegenkom. In de krant waar hij geroemd wordt om zijn vocabulaire, in mijn ooghoeken waar de boeken staan en zijn ruimte een steeds groter wordende rij wordt, op mijn Instagram waar de foto's het decor van La Superba steeds weer aangevullen.

Waar komt deze idolaterie vandaan? Is het de wens van de romanticus in mij, vrij te zijn van het leven en te vluchten naar warmere oorden waar het leven niet bestaat uit de rebellie van een verkeerd geparkeerde fiets, maar waar schots en scheef een verfrissende werking hebben en ik onbeschaamd mijn drank zou nuttigen terwijl ik poog poëzie te bedrijven?
Een beetje zoals ik deed in 's-Hertogenbosch waar ik claimde een eigen tafel te hebben bij Bar le Duc en waar ik schreef zoals ik me altijd heb voorgesteld, tot het moment dat ik daar te familiair werd met de vaste klandizie en ik niets anders meer kon dan luisteren naar de mores van het Bossche die in mijn boekje terechtkwam als folklore van een kleine provinciestad en waar ik vervolgens niets mee heb gedaan.
Wellicht spiegel ik me aan Ilja Leonard Pfeiffer en voert hij de romanticus en dagdromer in mij en poog ik een verwantschap te bewerkstelligen door mij steeds weer voor te nemen een brief te schrijven en dat nooit te zullen doen.
Is het werk van Ilja Leonard Pfeiffer een aanvulling op het leven van de bohemien in mij, die sinds de academie voor beeldende kunsten uit zwerven is?
Wellicht overdrijf ik sommige aspecten wel. Is de adoratie voor een schrijver een gezonde. Ik ben geen fan meer geweest van iemand sinds mijn prille jeugd Michael Jackson zijn intrede deed. Zo heb ik het trouwens nooit willen noemen, fan zijn. Altijd heb ik mijzelf te goed gevoeld om fan te zijn. Ik zou mij toch niet committeren en te koop lopen met blinde adoratie, wat zouden anderen daar wel niet van denken. Maar ik kan er niet echt omheen. Zoals mijn liefde voor taal aangewakkerd werd door Herman Brusselmans tijdens mijn tienerjaren en vroeger al door Roald Dahl, is het complete beeld van romantiek, taal, poëzie, leven en literatuur het domein van Ilja Leonard Pfeiffer.

In de bibliotheek waar ik zit, met de rebelse fiets voor mijn neus en het grijze weer buiten, kom ik, met vermoedelijk het complete oeuvre van Ilja Leonard Pfeiffer in mijn rug, tot de conclusie dat ik geen afstand hoef te nemen. Ik mag ontdaan, onthutst en getroffen zijn door het werk van een ander en ik mag mijn eigen leven daarin spiegelen omdat dit simpelweg dromen heet. Ik mag dromen dat ik op een dag op het terras zit met een goed glas drank, genoegzaam knikkend met het gevoel voldaan te zijn, met naast mij 'mijn goede vriend' Ilja Leonard Pfeiffer die andermaal het glas heft op de erkenning van de droom die ik niet aan diggelen hoef te slaan, maar mag koesteren omdat deze nu eenmaal ingegeven is.



woensdag 3 mei 2017

Het lezen van Americana door Joost Zwagerman


Op de achterkant van Americana van Joost Zwagerman staat 'Wie dit leest, die wil films zien, musea bezoeken en boeken verslinden. Het liefst allemaal tegelijk en zoveel mogelijk' – Trouw. Hoezeer dit een subjectief statement is, geldt deze zin voor mij als onbetwistbare waarheid. Het hele boek schuurt zo lang als mogelijk over de alledaagse beslommeringen totdat deze naar de achtergrond verdwijnen en er slechts nieuwsgierigheid overblijft. Het zachte stemmetje schreeuwt in het hoofd dat het verder moet lezen. Over Willem de Kooning, Jasper Johns, John Updike, Philip Roth, Madonna en Prince. Met kirrend plezier zie je het volgende essay al klaarstaan over bijvoorbeeld Mark Rothko en je weet op voorhand al dat je dat werk wederom weer wil gaan zien. Het is een boek om in op te gaan. Een boek dat, zoals elk goed boek, tot de laatste bladzijde verslonden wil worden en het liefst zo snel mogelijk, met in het kielzog van de haast, de aankomende spijt. Spijt omdat het uit is en er niets meer te leren valt.

Americana, en met name The Painted World, slingert mij terug naar mijn tijd op de kunstacademie te Breda. Angstvallig dichtbij komen mijn eigen gevechten met het tweedimensionale vlak dat ik heb proberen te vullen met de diepste wensen en verlangens. Aangespoord door de drang mijzelf te verlossen van mijn grenzen zat ik uren aan mijn bureau, de staat van leegte en trance proberen te grijpen, al dan niet met de klanken van de Manic Street Preachers uit mijn computer die mij de realiteit uit het oog moesten laten verliezen. Ik en het lege blad. Ik en de honderden gevulde bladeren, de glazen wijn, de grond bezaaid met potloden en mijn verslaving aan de uitspattingen gevolgd op woeste tekensessies.
De kunstacademie als roes opnieuw ervaren. De bemoedigende woorden van de docenten die iets in het werk zagen, hingen er als rijpe appels voor het plukken. En ik heb ze niet geplukt. Oogsten zonder te zaaien. Het hoofd onder het maaiveld houden, vanwege angst en op mijn hoede voor de arrogantie waar ik zo vatbaar voor ben. Geïntimideerd door de kennis van de klasgenoten, waarvan er ogenschijnlijk een paar geen moeite hadden om zich te profileren als talenten en het vermoedelijk waarmaken op dit moment. Het komt allemaal terug als de realiteit die ik zelf heb meegemaakt, maar geforceerd heb weggeduwd uit het huidige leven.
Het werk van het schuchtere, sereenstille meisje, dat zelfs tussen de paria's van de kunstacademie niet thuis leek te horen, dat mij zo verontrustte dat ik er dagen van ontdaan was. Werk waar ik kippenvel van heb gekregen. Werk dat mij nu nog iets doet. Het bestond uit niets meer dan kleine geschreven blaadjes. Flarden van gesprekken die zij secuur op had geschreven. Honderden waren het er. Korte verhalen van ongrijpbare mensen. Bijna fluisterend vertelde ze dat zij tijdens de markt op een terras was gaan zitten en alle woorden die ze er hoorde op kleine papiertjes had geschreven. De ruimte, een kleine ruimte onder het trappengat had ze gebruikt om al die flarden op te hangen. Kriskras door elkaar. Het resultaat was een onweerstaanbaar gefluister in het hoofd. Het geroezemoes was teruggebracht tot een stilte die duizend stemmen droeg. Het werk was voor mij overweldigend en de kleine ruimte werkte benauwend. Overspoeld door duizenden speldenprikjes van stemmen kon ik me indenken hoe fragiel de maakster zich opgesteld moet hebben. Ze moet zichzelf weggepoetst hebben en als louter observator in dienst van de ander hebben zitten luisteren, maar was geen werk dat poogde “de ander” te laten zien. Het was een werk waar de maakster zichzelf liet zien als observator, al dat gefluister zorgde ervoor dat je haar zag temidden van het tumult. Al die honderden briefjes maakte mij nederig en klein tot de dag van vandaag.
Ik proef weer aan de onzekerheid van de academie en herinner mij een klein werkje. Een leeg bierglas met op de plek waar normaliter de lippenstif zou zitten kleefde het roet. Alsof Lucifer zelf gedronken had van het pure glas. Het meisje dat het maakte, en ik weet haar naam niet meer, was er niet tevreden over en vond het niet goed genoeg, hetgeen door de aanschouwers weersproken werd en ik denk dat het terecht was.
De academie als film voor mijn ogen. Mijn tekortkomingen. Het dwangmatig op zoek gaan naar de eigen grenzen en die proberen te verbrijzelen. Ik zie hoe ik mij heb proberen te overschreeuwen. Hoe ik mijn populariteit om heb zien slaan en het laatste jaar verprutst heb omdat ik te dichtbij kwam. De vorm veranderde en het omslagpunt zat hem in de kritiek die ik toe heb gelaten op het eigen werk alsook in het acteerwerk dat ik niet op kon brengen omdat het alter ego dat ik zorgvuldig gecreëerd had teneinde een masker te zijn, doorprikt was. In het laatste jaar heb ik de angst laten zegevieren en was het acteren op. Het laatste jaar betekende het einde van de kunstacademie voor mij met als summum afgewezen voor de tweede fase. Ik droop af van de academie af om er nooit meer naar terug te keren.

En nu, met het lezen van Americana word ik hard om mijn oren geslagen door mijn eigen geschiedenis. Het borrelt en broeit. Het peurt langs mijn oude begrenzingen met een roestige spijker in een ultieme poging de oude barrieres alsnog op te heffen. Het houdt mij mijn naïviteit voor. De naïviteit dat ik uit de beelden alles kon lezen en dat begeleidende tekst en beweegredenen voor de gemaakte kunstwerken er niet toe deden. Het grote 'wat als' spookt door mijn hoofd. Wat als Americana mij ten tijde van de academie had bereikt en ik de platheid van mijn eigen werk in het laatste jaar had gezien, dat ik het geduld en de concentratie van eerdere jaren (hoe onorthodox deze ook waren) vast had weten te houden met het geloof dat ik door kon zetten. Stel dat? Maar als ik daar aan toe geef word ik als de anekdote die op de academie circuleerde waarin een van de docenten nooit op de afdeling autonome kunsten kwam omdat hij in huilen zou uitbarsten omdat hij in zijn ogen gefaald had als beeldend kunstenaar.
Beter omarm ik mijn naïviteit en arrogantie als gedane zaak en laat ik mij overspoelen door de kunstbeschouwingen en de liefhebberij van Joost Zwagerman om vervolgens te accepteren dat er altijd nog iets te leren valt en niet te vechten tegen de bewondering en deze dapper toe te laten.Dat ik spijt zal voelen wanneer het boek uit is gelezen is inherent aan het lezen van boeken, zoals dat het is wanneer je een overweldigend kunstwerk achter moet laten. Daartegenover staat, in aanvulling op de zin achterop het boek, dat dit boek wellicht een nieuw begin is. Dat Americana, naast de wens films te zien, musea te bezoeken en boeken te verslinden ook zorgt voor hernieuwde inzichten die het maken van nieuwe films, het schrijven van boeken en het maken van kunstwerken mogelijk maakt, zoals inderdaad een overweldigend kunstwerk of een exceptioneel boek kunnen dwingen tot schrijven of het beschilderen van doeken. Zoals het bij mij nu doet.